De sprinkhaan woonde achter zijn winkel in een kamer met een tafel, een stoel en een bed, en met een bel die rinkelde als iemand ‘s avonds of ‘s nachts, wanneer de winkel gesloten was, iets wilde kopen en niet tot de volgende ochtend kon wachten.
Dat vond de sprinkhaan nooit erg. Dan schoot hij in zijn groene winkeljas, ging de winkel in, opende de deur en vroeg waarmee hij de klant van dienst kon zijn.

En al was het maar een kam, een fluitje, een gedroogde beukenoot of een speld, hij wreef zich altijd in zijn handen, knikte en zei: ‘ik zal het even pakken.’

De klant ging tevreden naar huis met een kam, een fluitje, een gedroogde beukenoot of een speld en de sprinkhaan stapte weer in bed en sliep tot de zon opkwam en de eerste klanten al weer voor de deur stonden, of tot er opnieuw gebeld werd en iemand diezelfde nacht nog een kast  nodig had, met spiegeldeuren, twaalf planken, vier laden, koperen scharnieren en een ingebouwd laddertje om bij de bovenste plank te komen, en de sprinkhaan knikte en zei: ‘ik zal zo’n kast even halen’ en even later de deur openhield voor de klant die met de kast op zijn rug in de nacht verdween.

Boven zijn bed hing een bord, waarop stond: ‘ik heb altijd geluk’, dat hij ooit ergens ver weg, in de steppe, had gevonden. Zeker weggegooid door iemand die geen geluk meer had, meende hij. Hij had het mee naar huis genomen en aan de muur gehangen.

‘s Avonds, voor het slapengaan, las hij wat er stond, knikte en dacht: dat is waar, ik heb altijd geluk.

Hij hoopte dat hij het bord nooit weg zou moeten gooien. Maar als het dan toch moest, ooit, dan zou hij achter ‘geluk’ het woord ‘gehad’ schrijven, en daarachter zijn naam, en dan het bord ergens begraven waar niemand het zou kunnen vinden.

Daarna stapte hij in bed, deed zijn ogen dicht en was benieuwd wie hem die nacht wakker zou bellen, en waarvoor.

[Copyright Toon Tellegen, Het geluk van de sprinkhaan, 2011]